Excisie en re-excisie bij melanoom
Wanneer er een melanoom wordt vermoed of vastgesteld, is het belangrijk dat dit zo snel en zorgvuldig mogelijk wordt verwijderd. In deze fase spreken we van een excisie (eerste verwijdering) en in veel gevallen volgt daarna een re-excisie (tweede, bredere verwijdering). Hieronder leggen we het stap voor stap uit.
1. Eerste stap: diagnose en excisie
De dermatoloog onderzoekt de huid met een dermatoscoop, een soort vergrootglas waarmee moedervlekken tot tienmaal vergroot kunnen worden. Hiermee wordt onderscheid gemaakt tussen goedaardige en mogelijk kwaadaardige plekjes. De arts controleert niet alleen de verdachte moedervlek, maar altijd de volledige huid op andere afwijkingen.
Bij verdenking op een melanoom wordt de verdachte plek chirurgisch verwijderd. Deze excisie wordt meestal uitgevoerd door een dermatoloog, oncologisch chirurg of plastisch chirurg. Het verwijderde weefsel gaat naar de patholoog voor microscopisch onderzoek om de diagnose vast te stellen.
2. Bespreking van de diagnose
Als het om een melanoom blijkt te gaan, zal de arts uitleggen:
- Welk type melanoom het is,
- Hoe dik de tumor is (Breslow-dikte),
- Of er sprake is van ulceratie (zweervorming).
Op basis van deze gegevens wordt het voorlopige stadium bepaald: Ia, Ib, IIa, IIb of IIc.
> Meer hierover lees je op de pagina [Stadiëring van melanoom].
3. Re-excisie: een tweede, bredere verwijdering
Als de diagnose melanoom is bevestigd, volgt een re-excisie. Hierbij verwijdert de arts extra huidweefsel rondom het litteken van de eerste operatie. Dit verlaagt de kans op terugkeer van melanoom in het littekengebied. Of het de overleving verbetert is niet bekend.
De breedte van de re-excisie (1 of 2 cm) hangt af van de dikte van het oorspronkelijke melanoom.
Zeker bij dunne melanomen is de kans, dat de patholoog melanoomcellen vindt in de re-excisie, laag. Een re-excisie kan complicaties geven, zoals problemen met de wondgenezing en een groot litteken.
In 2025 is in een groot aantal Nederlandse ziekenhuizen een studie gestart om uit te zoeken of de re-excisie bij dunne melanomen veilig weggelaten kan worden, de NORMA-2 studie.
Lees meer over de NORMA-s studie.
4. Schildwachtklieronderzoek: check op uitzaaiingen
Bij een melanoom vanaf stadium Ib wordt meestal ook de schildwachtklierprocedure uitgevoerd. Hierbij wordt de eerste lymfeklier die het lymfevocht van het melanoom opvangt (de ‘schildwachtklier’ of ‘sentinel node’), onderzocht op uitzaaiingen.
Dit gebeurt vaak gelijktijdig met de re-excisie. Als er kankercellen worden gevonden in deze klier, is er sprake van een uitzaaiing en verandert het stadium naar stadium III. Dit heeft invloed op je behandeltraject en controlefrequentie.
Melanoombehandelaars adviseren om deze procedure uit te voeren vanaf tumorstadium 2b. Bij tumorstadia 1b en 2a adviseren ze om de mogelijkheid van een schildwachtklierprocedure te bespreken met de patiënt in kwestie. Samen zouden ze dan kunnen beslissen om de procedure wel of niet te doen, afhankelijk van de kans op het vinden lymfeklieruitzaaiingen, de risico’s van de ingreep en de wensen en voorkeuren van de patiënt.
De kans op het vinden van lymfklieruitzaaiingen is in te schatten met behulp van de MIA-calculator. https://www.melanomarisk.org.au/SNLForm
Hierin wordt de kans op uitzaaiingen berekend met behulp van:
- Leeftijd van de patient
- Breslow-dikte van de tumor
- Subtype (superficieel, nodulair, acraal, lentigo maligna, dermoplastisch)
- Het aantal mitoses (celdelingen) per mm2
- Wel of geen ulceratie
- Ingroei in de lymfevaten
5. Aanvullend onderzoek bij verdenking op uitzaaiing
Als er signalen zijn dat het melanoom mogelijk verder is uitgezaaid, wordt aanvullend onderzoek ingezet. Denk hierbij aan beeldvormende technieken zoals:
- Echografie van de lymfeklieren,
- CT-scan,
- MRI-scan,
- PET/CT-scan.
Op basis van deze uitslagen wordt het behandelplan aangepast.